Hypotheekrenteaftrek: hoe zit dat ook alweer?


De hypotheekrenteaftrek is al decennialang een onderwerp van discussie. Hoewel de regeling in de basis eenvoudig lijkt – het aftrekken van betaalde hypotheekrente van het belastbaar inkomen – kent zij een complexe geschiedenis en leidt de toepassing ervan regelmatig tot complexe vraagstukken.  

 

Hypotheekrenteaftrek in het kort
De hypotheekrente geeft huiseigenaren de mogelijkheid de rente die zij betalen over hun eigenwoningschuld af te trekken van het belastbare inkomen in box 1. Dit verlaagt de netto financieringslasten, waardoor huishoudens in de praktijk een hogere hypotheek kunnen dragen. 

 

Korte geschiedenis: waar komt de aftrekpost vandaan?
De veelbesproken aftrekpost vindt zijn oorsprong in het vernieuwde belastingstelsel van 1893. Tot die tijd kende Nederland grotendeels indirecte belastingen, zoals accijnzen op producten als suiker en meel. Omdat deze voor iedereen gelijk waren, drukten ze relatief zwaar op lagere inkomens. Mede daarom werd de inkomstenbelasting ingevoerd. Naast loon vielen ook huurinkomsten onder deze nieuwe belasting. Woningen werden namelijk gezien als vermogensbestanddelen die inkomsten konden genereren. 

 

Voor eigenwoningbezitters gold dat zij geen huur hoefden te betalen; daarom werd het zogenoemde huurwaardeforfait geïntroduceerd: een bijtelling op het inkomen voor wie een woning bezat. Het huidige eigenwoningforfait. Omdat de fictieve opbrengsten werden belast, vond men het logisch dat de kosten aftrekbaar waren. In de praktijk zijn de kosten van deze regelingen voor de overheid vrijwel altijd hoger geweest dan de baten. Tegelijkertijd was het de wens van de overheid om het eigenwoningbezit juist te stimuleren, omdat dit bijdraagt aan vermogensopbouw. 

 

Complexiteit hypotheekrenteaftrek
Sinds 1893 is de regeling regelmatig aangepast en versoberd. Met de invoering van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) werd de aftrekmogelijkheid voor een tweede woningen afgeschaft en werd de aftrek voor de eigen woning beperkt tot maximaal 30 jaar. Later werd bepaald dat aflossingsvrije leningen niet langer passen binnen het fiscale stelsel. Daarom moeten nieuwe leningen minimaal annuïtair of lineair worden afgelost om als eigenwoningschuld in box 1 te kwalificeren en daarmee in aanmerking te komen voor renteaftrek. In de afgelopen jaren is de aftrek voor hogere inkomens verder beperkt via de tariefsaanpassing, met als gevolg een uniforme aftrek (maximaal 37,48%). 

 

Al deze wijzigingen en uitzonderingen vergroten de complexiteit. Bij een eerste woning is dat vaak overzichtelijk, maar bij verhuizingen, relatiebreuken of nieuwe partners wordt dat snel ingewikkeld. De Hoge Raad heeft meermaals benadrukt dat de voorspelbaarheid en eenvoud essentieel zijn voor het maatschappelijke draagvlak. 

 

Of het afschaffen van de hypotheekrenteaftrek wenselijk is en bijdraagt aan het oplossen van het woningtekort laat ik buiten beschouwing. Neem gerust contact op als je een vraag hebt over de regeling zelf!